Vragen van Amsterdam Gastvrij naar aanleiding van de nota van beantwoording Huisvestingsverordening.

Aan de leden van de Gemeenteraad van de stad Amsterdam
Amsterdam, 28 november 2018

Op 3 oktober 2018 hield Laurens Ivens, wethouder Wonen, een ‘Consultatie’ onder een aantal partijen waaronder Amsterdam Gastvrij betreffende de voorgenomen Wijziging Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 waarin o.m. het voorstel staat om vakantieverhuur terug te brengen van 60 tot 30 dagen vanaf 1 januari 2019. Woensdag 21 november ontvingen wij van het college een Nota van beantwoording. Waar het in deze nota gaat om het voornemen de vakantieverhuur verder terug te brengen tot 30 dagen roept deze beantwoording nog aan paar vragen op:

  1. Het college benadrukt in zijn nota meerdere keren dat de beperking tot 30 dagen niet (meer?) tot doel heeft de toeristische druk te verminderen. Dat lijkt gezien de beperkte invloed van de 30 dagen maatregel op de toeristische drukte een terechte accentverschuiving.

    VRAAG: heeft het college dan andere plannen om iets te doen aan over-toerisme, zoals de organisatie van een Toerismetop met alle betrokken partijen?

  2. Bij herhaling stelt het college in zijn nota dat de maatregel als belangrijk doel heeft de woningvoorraad te beschermen. Nergens wordt evenwel onderbouwd op welke manier beperking van vakantieverhuur tot 30 dagen invloed heeft op de woningvoorraad.

    VRAAG: kan het college de logica van deze redenering toelichten (de maatregel zorgt voor extra woningen, of tenminste geen verlies van woningen) en er ook een getalsmatige onderbouwing van geven? Om hoeveel ‘gewonnen’ woningen gaat het?

  3. Het tweede centrale doel van de maatregel betreft het tegengaan van overlast. Ook hier mist een logische en getalsmatige onderbouwing.

    VRAAG: in welke delen van de stad is er sprake van extra overlast - volgens het SEO onderzoek in opdracht van de gemeente betreft dat 4 wijken in het centrum - en hoe draagt de stadsbrede beperking van 60 tot 30 dagen bij aan vermindering van deze overlast.

  4. Een raadselachtige zin in nota van beantwoording is: ‘Voor de meeste verhuurders heeft deze wijziging geen consequenties, terwijl tegelijkertijd de omvang van toeristische verhuur in woongebouwen wordt teruggedrongen’ ($4.2).

    VRAAG: Als de wijziging nauwelijks consequenties voor verhuurders heeft, hoe kan het dan problemen oplossen?

  5. Voor de juridische onderbouwing van maatregel verwijst u naar een uitspraak van de RvS en 2 daarmee verbonden uitspraken van het Amsterdams Gerechtshof. Los van de casuïstiek van deze uitspraken laten deze onverlet dat ingrepen in de woningwet alleen gerechtvaardigd zijn als deze een onomstotelijk publiek belang dienen, proportioneel zijn t.o.v. dat belang en het doel niet op andere wijze kan worden bereikt. Ook professor Jon Schilder van de VU zet daarom grote vraagtekens bij de verbreding van deze uitspraken tot grondslag van beleid.

    VRAAG: heeft uw college aanvullend juridisch advies ingewonnen en zo ja, wat wordt daarin vermeld? Waarom wordt nergens in de nota ingegaan op de Wet Aanpak Woonoverlast van 1 juli 2018 waarmee wellicht op een veel directere manier overlast kan worden tegengegaan?

Met vriendelijke groet,

Hans Onno van den Berg